De Staat van het Theater door Anne Breure en Sadettin Kirmiziyüz

woensdag 10 september 2025

De staat van het theater ( of )

Het is aan ons

Staat van het Theater 2025 - Anne Breure en Sadettin Kirmiziyüz


S en A: Goedenavond.

A: Wij hebben altijd gezegd nooit met elkaar te werken. Toch staan we hier nu. Samen.

S: Dit beeld – wij tweeën – op een podium, wij verwachten niet dat u het ooit nog zult zien. Het is een ‘once in a lifetime’.

A: Wij vinden niet hetzelfde. We doen niet hetzelfde. Als levenspartners steunen we elkaar in onze verschillende wegen, bekritiseren we de ander aan de keukentafel en scherpen elkaars gedachten, soms in goede harmonie en soms in knallende ruzie - en deze ruimte koesteren we enorm.

S: We hebben dezelfde waarden, ze zijn het fundament voor het leven dat we leiden, wat we doen verschilt en ook dat is onderdeel van het fundament.  

A: Dus we staan hier samen en daarmee krijgt u twee staten. We hebben het geprobeerd, maar we weigeren te polderen voor een middenweg. We willen vanuit wie wij ieder zijn en daarmee vanuit wie wij samen zijn de Staat van het Theater aanvliegen.

S: Anne begint.

A: En daarna Sadettin.

S: Tot slot zullen we nog op elkaar reageren. Aan onze keukentafel spreken we Nederlands, Turks en Gebarentaal. De Staten zijn in het Nederlands en we hebben Gerdinand gevraagd live te tolken in NGT. 

De kleren die we aan hebben zijn gemaakt door modeontwerper Aziz Bekkaoui.

We gaan beginnen. 

 

Anne

De vraag om samen de Staat van het Theater 2025 uit te spreken, hier samen te staan, vond ik verwarrend. En precies daarom interessant. Want wie wordt hier nu precies gevraagd? Wie van de vele dingen die ik ben. Ik voelde een direct appel. Niet aan mijn functie, niet aan mijn titel, niet aan de partner, de moeder of aan de vrouw, maar aan alles wat ik ben. Aan de meervoudige identiteit. De meervoudige identiteit die we allemaal hebben. Maar die we vaak niet meenemen.

Het lijkt alsof je op een plek, maar een ding tegelijkertijd kan zijn. Of tenminste primair en de rest in de wachtkamer moet blijven zitten. Op het schoolplein ben ik de moeder. Op mijn werk ben ik – hopelijk toegankelijk en benaderbaar – maar altijd de directeur. In een terugblik op het theaterseizoen in de NRC ben ik de vrouw. Met mijn jongste zoon zijn we veel in het ziekenhuis, en word ik door het zorgpersoneel consistent aangesproken als ‘mama’ of ‘moeder’ en vragen ze waar ik vandaan kom, omdat zijn achternaam Turks is en ik daarmee ook.

Maar ik ben het allemaal. Ik ben het naast elkaar. En ik ben het tegelijkertijd.

En het doet er toe. Het persoonlijke is politiek. Dat wat we leven, maakt wie we zijn. Maakt wat we doen en hoe we het doen. En dat wat we doen, maar meer nog hoe we het doen, dat is waar we het over moeten hebben. Ik heb altijd een haat-liefdeverhouding met de kunsten en de sector gehad. Maar op de zwaarste momenten in het leven was het altijd onmiskenbaar daar. Op de momenten dat ik in het ziekenhuis was of toen ik revalideerde. Bij grote machteloosheid of groot verdriet of grote vreugde, zijn het voor mij en misschien wel voor iedereen altijd de kunsten, die daar zijn.

Tijdens het schrijven van deze staat heb ik aan jullie gedacht. Aan jullie allen. Elke keer kwam er opnieuw iemand voorbij. Een maker, een directeur van een theater, een artistiek leider van een gezelschap, een fondsmedewerker, een kunstvakstudent, een scenograaf, een ambtenaar, een acteur, een productieleider, een technicus... De sector in al zijn diversiteit. Ook jullie/wij zijn heel veel tegelijkertijd.

Ik keek naar jullie en mijn grootste vraag was steeds; wie zijn wij samen?

Hoe verhoudt deze wij zich tot wat voor ons was en als we over dertig jaar terug kijken wat zien we dan? Wie zijn wij in deze tijd voorbij deze tijd? Agendeerden we? Of reageerden we vooral? Konden we bewegen als een organisme om de kunsten verder te brengen? Of waren we vooral heel veel individuen met allemaal hun eigen dagelijkse strijd? Ik keek naar ons en vroeg me af of we voor elkaar in de bres sprongen of draaiden we vooral mee in de voortdurende ratrace om zelf overeind te blijven?

Een tijd geleden was ik bij een denksessie met directeuren van culturele instellingen over een nieuw kunstenbestel. Ik stel voor om onszelf de vraag te stellen: wat er zou gebeuren als we onze eigen instelling zouden opheffen. Wat gebeurt er als de kunstinstelling waaraan ieder van ons leidinggeeft ophoudt te bestaan? Ik poneerde de vraag en al snel sprak een directeur van een stevig gevestigde instelling me geëmotioneerd en scherp toe, dat we ons deze vraag niet mogen stellen. Dat het een gevaarlijke vraag is. “Er werken mensen, Anne. Het kan niet. Je mag deze vraag niet stellen.”

Ik bleef stil. Hoewel het bij niemand aanwezig een serieuze optie in de nabije toekomst was dat hun kunstinstelling er niet meer zal zijn, snap ik de emotie. Dus ik liet het. Maar dacht ondertussen dat tewerkstelling nooit de motivatie kan zijn om instellingen overeind te houden. En geloof vurig dat we ons deze vraag wél moeten durven stellen.

Stel je voor: Wat als je jezelf opheft? Wat staat er dan op het spel? Wat zouden we verliezen? 

Voorbij de eerste angsten, waar kom je dan uit? Ik geloof bij diep doorvoelde waarden, die we kosten wat kost willen verdedigen. Die niet alleen in die ene instelling zijn gegrond, maar de waarden die we vaak samen delen. Het is de ruimte van de kunst. Die we met alle instellingen en gezelschappen samen belichamen. Het is waar iedereen hier in de zaal onderdeel van uitmaakt, mee aan bouwt. Het is het fundament van de wij die we zijn. Het is het startpunt, of zou het moeten zijn, van waarom we doen wat we doen. Wat de tijd ook brengt, wat de tegenkracht ook zal zijn. Maar als we deze vraag al niet durven te stellen, weten we dan nog wel waar dit punt echt ligt?

Deze zomer gingen we kajakken in de polder van Noord Holland. Op een app met waterkaarten kon ik zien hoe we konden varen. Over de landkaart wordt een lange lijn geprojecteerd. Dwars over land, water en huizen heen. Hij projecteert als een kompas. Zodat je kan zien waar je uitkomt en je kan bedenken hoe je links/rechts/links gaat om deze lijn aan te houden.
Het lijkt alsof wij als sector in ons varen deze lijn steeds vaker vergeten. Dat we reageren op de waan van de dag, dat we daar gaan waar we altijd gaan, omdat er de minste weerstand is – er groeien geen brandnetels meer, we kennen er de weg en laten ons meevoeren. En dat we zo steeds vaker deze lijn kwijt zijn, vergeten zijn waar ons startpunt lag of welke horizon we voor ons zagen. Dat gegarandeerde publieksaantallen, de criteria van subsidieaanvragen en de politieke angst, angst voor moeilijke gesprekken in de zaal of daarbuiten, de angst voor tegenspraak en onrust, ons leiden. In plaats van de waarden waar vanuit we ooit vertrokken.  

We maken mooie voorstellingen, ondanks tegenslagen van niet toegekende subsidies of de na-effecten van de coronacrisis. Maar ik vraag me af of we – voor en achter de schermen – nog steeds genoeg tegen de wind in durven te bewegen en andere, nieuwe wegen durven te verkennen met de waarden als kompas in onze hand. 

Hoeveel risico nemen we echt? 

Afgelopen jaar las ik het boek How to be a good ancestor van Roman Krznaric. Hij beschrijft hoe moeilijk het is voor ons – de mens – ver vooruit te denken, voorbij dit moment, of zelfs voorbij onszelf. En schrijft dat als er aliens zouden zijn en ze ons aan zouden willen vallen, de beste strategie een klimaatverandering zou zijn, omdat we op een aanval met wapens direct zouden reageren met het ontwikkelen van nog betere wapens, maar dat we op iets wat geleidelijk gaat niet reageren, of niet snel genoeg reageren.

De samenleving schuift steeds verder op naar extreemrechts en normaliseert het samenwerken met fascistische partijen. Durven wij deze verschuivingen fundamenteel te bevragen of schuiven we mee? Durven we er tegen in te bewegen en onszelf daarbij op het spel te zetten? Of zijn we vooral bezig met overleven en conserveren? 

Een jaar geleden sprak ik tijdens een netwerkdiner met een ambtenaar. Ik vroeg hem waar zijn verzet zat. Ik legde hem in de mond dat hij ook niet blij zal zijn geweest met de verkiezingsuitslag en vervolgens het coalitieakkoord. Dus wat deed hij? Hij zei dat dat waar was, maar dat je als ambtenaar weinig kunt doen. Ik zei dat juist hij, zo dichtbij de macht, invloed had. Ik deelde mijn ideeën, waarop hij me onderbrak en zei; jij kunt in elk geval geen ambtenaar worden. Als ik later over zijn verdict vertel aan een ervaren collega en beleidsmaker in het veld, zegt ze; juist wel! We hebben tegendenkers nodig!

Ons werk bestaat eruit om steeds nieuwe realiteiten te bouwen en af te breken. Om ons het onmogelijke voor te laten stellen. Hoe kan het dan, dat het ons aan de achterkant zo moeilijk lukt om het anders te doen? Dat we de verantwoordelijkheid voor hoe het gaat – wij allemaal, elke speler – steeds lijken door te schuiven naar de ander. Naar de politiek, naar het fonds, naar de culturele instelling, naar de maker, naar de opleidingen. 

Wat kunnen we – los van de ander – zelf doen? Zelf veranderen?

We lijken te denken dat er maar één mogelijkheid is. Dit is het systeem. We zeggen vaak “maar het systeem maakt ons zo”. En de grootste (wed)strijd lijkt, wie kan zich het beste aanpassen aan dit systeem. Wie springt er het beste door de hoepels die de criteria van de aanvraag zijn. Wie lijkt er – tenminste in woorden en getallen – zo goed mogelijk op dat wat er wordt verwacht. En als het niet toegekend wordt, dan proberen we alles – van procederen tot andere financieringsstromen – om toch zoveel mogelijk hetzelfde als daarvoor te blijven doen. Hoe komen we los van de hoepels? We houden elkaar – van fonds tot maker – in de greep en met het handelen van een ieder van ons houden we het systeem in stand. Iedereen kan een ander voorstel doen. Dus wie laat zien dat het anders kan? 

We hebben tegendenkers nodig. In de ambtenarij, bij het fonds, bij de theaters, bij de gezelschappen, bij de makers, bij de docenten, bij de studenten. Overal. We hebben tegendenkers en tegendoeners nodig. 

We lijken instituten – kunstinstellingen, theatergezelschappen – vaak als vaste dingen te zien. Alsof ze iets zijn wat buiten ons bestaat. Dat ze voor altijd daar bestaan. Dat ze een gegeven zijn. Zoals in een kinderverhaal kastelen er voor altijd kunnen zijn.. Maar ik geloof dat instituten – theaters, gezelschappen – tijdelijke constellaties van mensen zijn. Ze zijn als een choreografie. We bewegen en even zijn wij dit. Het instituut. Wij maken dat instituut. En met een nieuwe wij krijgt dat instituut – als het goed is – een andere vorm. Zo beweegt het door de tijd. Houdt het soms op te bestaan. En wordt het – door nieuwe constellaties van nieuwe of dezelfde mensen – op een andere plek, op een nieuwe manier, opnieuw gebouwd.

Het is als theater. Wij zijn de instituten. Wij spelen ze. Elke keer opnieuw. Allemaal voorstellingen. En niemand speelt de rol voor altijd. Er is steeds een nieuwe interpretatie nodig. Een nieuw voorstel nodig voor wat die waarden kunnen zijn. Voor wat een instituut kan zijn. Een instituut is nooit neutraal. Elke voorstelling vertelt een verhaal. Dus ook als we niets doen, nemen we stelling.

Het is aan ons. Dus wat gaan we doen?

Toen we in 2015 begonnen met de Fair Practice Code sprak ik jarenlang in vele kleine en grote zaaltjes. Met de waarden diversiteit, solidariteit, vertrouwen, transparantie en duurzaamheid was men, waar ik ook sprak – in het binnen of het buitenland en voor de film, erfgoed of theater sector – het altijd eens. Moeilijker werd het als het op de uitvoer aan kwam. Dan moest er samen gezocht worden, moesten er veranderingen plaatsvinden en ging het pijn doen. De terugkerende vraag is altijd; maar wat is het concreet? Het liefst heeft men de waarden in een afvinklijst omgezet. Maar wat een lijst om af te vinken wordt is dood. Het gaat hem precies om het werk. Het werk om de waarden opnieuw en opnieuw samen door te ploeteren en om te zetten in de praktijk. De wereld verandert, wij veranderen en daarin moeten we steeds opnieuw kijken wat ze nu voor wie betekenen en wat er daarom moet gebeuren. En wat je zelf moet veranderen. Het is altijd beweging en nooit klaar.

Daar gaat het om. Zo zal het ook met alle voorstellen om het anders te doen zijn. Ze zijn nooit klaar. Maar we moeten er wel aan beginnen. Elke dag opnieuw. Ieder voor zich en wij allemaal samen. Want in dat samen schuilt de kans.

Elk probleem wat we zien, lijkt telkens een individueel probleem. Een instelling die geen subsidie meer krijgt, klimt zelf op het podium om zijn verhaal te doen. Maar waar is het verhaal voor en van ons allemaal? Moet iedereen zijn eigen hachje redden, en gaat het daarover, of vechten we samen voor iets groters? Hoe maken we van het individuele probleem een collectief probleem? Als iemand ziek is en terugkeert, is het het reïntegratietraject van diegene alleen, maar kan het het traject van de hele organisatie, van de gemeenschap zijn? Als iemand opvang nodig heeft voor de kinderen, kan dat gedeeld worden? Hoe kunnen we zorg collectief maken?

Mirthe Berentsen pleitte afgelopen seizoen voor een hernieuwde interpretatie van het begrip gezin. Ze ging terug naar de oorsprong en vond het Germaanse woord Gehsinde wat zoveel als reisgezelschap betekent. Ze maakte het veel breder dan de ouders en het kind. Het reisgezelschap is een groep mensen, een groep verwanten, die samen op weg zijn en een horizon delen. 

Kunnen wij een reisgezelschap zijn? En kunnen we samen naar de horizon kijken? En kunnen we dan over de toekomst nadenken, zonder te weten waar we zelf zijn in die toekomst? Zonder te weten welke positie we dan hebben? 

Kunnen we voorbij onszelf denken, voorbij deze tijd en over grenzen heen? 

Als theater creëren we – compleet tegen de tijdsgeest in – elke avond een gemeenschap, waarin een samen is en een nieuwe wereld wordt voorgesteld. Een wereld die laat zien dat het ook anders kan. Dat niets vanzelfsprekend is en dat hoe het is, altijd een keuze is. De kunsten zullen er altijd zijn en het is aan ons deze ruimte te allen tijden opnieuw neerzetten.

De directeur waar ik het over had, degene die geëmotioneerd zei dat ik de vraag niet mocht stellen wat het zou betekenen als we ons zelf op zouden heffen. Omdat er mensen werken. Ik deel de liefde voor de mensen met hem. Want het zijn de mensen die het instituut maken, die het theater maken. En in die mensen, in jullie, zit de hoop. We kunnen het anders gaan doen. Wat de tijd ook brengt. We kunnen onze waarden in de hand houden en zo scherp blijven koersen als maar kan. 

We kunnen samen bouwen. De zorg delen. En de wereld – toch tenminste ten dele – veranderen.
 

Sadettin

Toen ik door Tobias werd gebeld met de vraag of ik -samen met mijn levenspartner Anne Breure- de Staat van het Theater wilde uitspreken, moest ik heel erg mijn best doen om niet in lachen uit te barsten. Niet vanwege die vraag, maar om wat er die avond daarvoor had plaatsgevonden:

De avond voordat dat telefoontje kwam, zaten wij thuis. Onze kinderen lagen nog niet in bed, we waren moe, en een online afspraak met een relatietherapeut begon met vertraging. Het gesprek stokte, de energie zakte, en uiteindelijk gingen we zwijgend slapen. De volgende ochtend zaten we in het ziekenhuis, bij de kinderarts van onze jongste zoon. Een jonge arts, vriendelijk en scherp, die de komende veertien jaar een vast baken in ons leven zal zijn. Het tegen elkaar zwijgen van de avond ervoor hebben we even in de pauzestand gezet. We spraken over de maakbaarheid van het leven, over kinderen die een andere weg bewandelen. Wij zijn ouders die al zo lang door de gangen van ziekenhuizen wandelen, die medische afkortingen gebruiken alsof het onze moedertaal is, en die artsen soms het gevoel geven dat we zelf in de zorg werken. De arts wil weten waar we dan wel werken.

Wij werken in het theater. Ik ben theatermaker en acteur, mijn vrouw is directeur van een stadsgezelschap.

Ah, zegt de arts met opgetrokken wenkbrauwen (ik denk dat hij mij natuurlijk herkent van een voorstelling), maar hij wil weten of ik voor Anne werk. Nee. Zeker niet. Wij werken in principe nooit samen. Vooral zij is daar heel scherp op. Nee. Wij werken in principe niet samen en zullen dat ook nooit en te nimmer doen. We werken niet samen, maar leven en zorgen samen. En misschien is dat precies de reden dat we hier staan. Want het theater is óók een vorm van zorg. Niet voor het lichaam, maar voor de ziel, voor de samenleving, voor het vermogen om samen te blijven kijken, luisteren, voelen. Theater is niet de plek waar alles klopt, maar waar juist datgene wat wringt zichtbaar mag worden.

Deze dingen zeg ik niet tegen Tobias als hij me later op die ochtend belt. Ik heb onze zoon dan al naar de opvang gebracht, daarvoor heb ik Anne, iets minder zwijgend,  afgezet bij station Amstel. Als hij zijn vraag heeft gesteld vraag ik Tobias of hij Anne heeft gebeld, ja dat heeft hij. En ik vraag of ze hem heeft gezegd dat we nooit samenwerken. Ja, dat heeft ze.

We gaan overleggen, zeg ik, we gaan nadenken, we komen bij je terug.

Ik hang op.
Ik app Anne.
Hahahahahahahaha, app ik.
Ik krijg heel veel puntjes en een hartje.

En nu staan we hier met alle overeenkomsten die wij hebben, maar ook onze verschillen. Daarom hebben we ook voor deze Twee Statenoplossing gekozen.

Ik sta hier vandaag niet als acteur in een rol, niet als maker die een voorstelling speelt, maar voor het eerst echt als mezelf: Sadettin Kirmiziyüz. Ik sta hier als partner van Anne, als vader van onze kinderen, als zoon van ouders die ooit van Turkije naar Nederland kwamen, als iemand die zich voortdurend beweegt tussen verschillende werelden. Ik ben niet alleen een theatermaker, maar ook een product van een gemengde geschiedenis, van verschillende talen, verschillende werkelijkheden. 

En dat is misschien wel waarom ik niet anders kon dan ja zeggen op de vraag of ik deze toespraak wilde houden. Omdat mijn leven en mijn werk niet los van elkaar bestaan. Omdat het persoonlijke en het politieke elkaar onvermijdelijk raken. Omdat ik in het theater de ruimte heb gevonden om die spanning tastbaar te maken, en omdat ik hoop dat wij samen die ruimte steeds opnieuw vorm kunnen geven.

Ik schaam me ervoor Nederlander te zijn.

Een kleine twee jaar geleden, daags na de verkiezingen van 2023, stuurde iemand mij dit in een app. Op diezelfde dag had ik al een aantal telefoontjes en berichten gehad van vrienden en collega’s die vroegen hoe het met me ging. De overwinning van de partij die is opgericht om de religie van mijn ouders te bestrijden, maakte mensen bezorgd om mij. Mijn oudste zoon, toen negen jaar oud, kwam die dag bang thuis van school. Hij vroeg of zijn grootouders, zijn dede en babane, het land uitgezet zouden worden. Ik probeerde hem gerust te stellen. Ik zei dat we hier thuishoren, dat dit land óók van ons was.

En toen die app.
Ik schaam me ervoor Nederlander te zijn. 

Schaamte is een machtig wapen. Het kleeft, het verstikt, het zet je stil. Het tegengif is empathie, het vermogen om voorbij jezelf te kijken en in de ander iets van jezelf te herkennen. Maar juist in een samenleving die steeds meer gericht is op verschil, op uitsluiting, op het markeren van grenzen, raakt dat vermogen onder druk.

Wat kunnen wij, theatermakers, doen in deze tijd? Wat kunnen we doen in een land dat steeds verder naar rechts beweegt, in een wereld waar zich in Gaza een genocide voltrekt, in een klimaat van cynisme waarin elke poging tot nuance onmiddellijk wordt overschreeuwd?

We kunnen reageren. En dat doen we vaak. Een post op sociale media, een statement na een incident, een verontwaardigde column. Het voelt goed, het geeft likes, het levert applaus op. Maar het is zelden meer dan dat: een reactie. 

Het verandert niets aan het systeem waarin we gevangen zitten. Het stelt de fundamenten niet ter discussie.

Toen in maart 2024 een optreden van Lenny Kuhr werd verstoord door pro-Palestina betogers en ze in de tweede kamer over elkaar heen vielen om op niet mis te verstane wijze de culturele sector op te roepen zich uit te spreken tegen antisemitisme, postte ik een bericht op instagram, toch de snelste en makkelijkste manier om je politieke activisme en betrokkenheid te tonen. Mijn instafeed bestaat sowieso alleen maar uit stories en posts van gelijkgestemden. Onze content laat zich het best als volgt samenvatten:

Beelden van de genocide in Gaza, screenshots van xenofobe uitspraken van politici, dit heb ik vanavond gegeten met mijn vrienden, vanavond speel ik deze voorstelling die vijf sterren kreeg in de Volkskrant en hier ben ik in de sportschool.

Ik tikte een boze tekst over hoe hypocriet het was dat de politiek ons opdroeg ons uit te spreken tegen antisemitisme, iets wat mij betreft vanzelfsprekend zou moeten zijn, terwijl op datzelfde moment werd onderhandeld over het samenstellen van een extreem rechts kabinet. Daarna postte ik een link naar de voorstelling die ik die avond speelde en dat mensen JUIST NU moesten komen kijken want mijn werk was zo actueel. 

Honderden likes, de kaartverkoop schoot die tournee omhoog.

Theater zou meer moeten doen dan reageren. Theater zou moeten agenderen. Het zou niet alleen moeten spiegelen, maar bevragen. Niet alleen registreren, maar openbreken. Wij zijn meer dan chroniqueurs van onze tijd; wij zijn ook bouwers van een toekomst die nog niet bestaat.

Dat vraagt moed. Moed om niet alleen te zeggen wat er mis is, maar om te laten zien wat er anders kan. Moed om niet alleen op de actualiteit te reflecteren, maar om een horizon te schetsen die verder reikt dan de waan van de dag. Moed om uit te zoomen, terwijl alles ons dwingt om mee te draaien in de maalstroom van nieuws, incidenten en meningen.

We werken in een sector die afhankelijk is van subsidies, van beoordelingscommissies, van meerjarige plannen en beleidsstukken. Elke vier jaar dansen we de dans van de aanvragen. We hebben ons zo vaak geschikt naar de logica van het systeem dat we zijn gaan denken dat het vanzelfsprekend is. Maar niets daaraan is vanzelfsprekend. De vraag is of wij binnen dat systeem werkelijk vrij zijn. 

Hoe kunnen we verhalen vertellen over vrijheid als we zelf gevangen zitten in een structuur die onze keuzes bepaalt? Hoe kunnen we pleiten voor verbeelding als we gedwongen worden in formats, tabellen en beleidsdoelen?

Het theater is bij uitstek de plek om zulke vragen te stellen. Maar dan moeten we bereid zijn om niet alleen naar buiten te wijzen, naar de politiek, naar de media, naar het publiek, maar ook naar onszelf. Hoeveel durven wij te riskeren? Hoeveel zijn we bereid los te laten om werkelijk vrij te worden in ons maken?

In dit land circuleren beelden die meer zeggen dan duizend woorden. De leider van de grootste partij van Nederland deelt op zijn twitterpagina een AI afbeelding die bestaat uit twee halve gezichten die tegen elkaar geplakt liggen. Het ene halve gezicht, links, is dat van een witte blonde lachende aantrekkelijke vrouw. Aan de rechterkant het gezicht van een boos kijkende, oudere, lelijke, gesluierde moslima. 

Onder de witte vrouw de naam van zijn partij: PVV
Onder de gesluierde vrouw de naam van de grote rivaal: PvdA
Aan u de keus, schrijft hij als caption van dit plaatje.

We zijn massaal verontwaardigd: “Dit is je reinste nazipropaganda, dit kan niet, dit mag niet, hier moet een eind aan komen.” Dit duurt ongeveer een week. Een paar duizend mensen doen aangifte, doen melding bij het Meldpunt Discriminatie en we gaan haast onmerkbaar weer over tot de orde van de dag. Er werden meldingen gedaan, aangiftes ingediend, boze stukken geschreven. En na een week gingen we weer verder. Want we zijn gewend geraakt aan zulke beelden. Na decennia van dehumanisering van moslims en migranten zijn we er bijna onverschillig onder geworden.

Maar mijn kinderen zien die beelden ook. Zij groeien op in een wereld waarin zulke tegenstellingen steeds opnieuw worden bevestigd. En ik weiger dat normaal te vinden. Ik weiger dat zij eraan wennen.

Daarom sta ik hier. Omdat ik geloof dat theater de ruimte kan zijn waar we weigeren ons neer te leggen bij wat vanzelfsprekend lijkt. Theater is geen veilige haven waar we even ontsnappen aan de werkelijkheid. Theater is een oefenterrein voor die werkelijkheid.

Het is de plek waar een kind dat niet past in de norm wél mag bestaan. Waar een familiegeschiedenis die begint in Turkije, Marokko of Suriname net zo vanzelfsprekend is als een familiegeschiedenis uit Groningen of Limburg. Waar verhalen niet worden gerangschikt op hun commerciële waarde, maar op hun vermogen ons anders te laten kijken.

Theater kan ons leren om te twijfelen. Om te blijven zoeken naar andere perspectieven. Om hoop te vinden, niet in bevestiging, maar in verbeelding.

Ik ben niet het theater in gegaan om politieke statements te maken. Als kind droomde ik van het podium om verhalen te vertellen, om iets van schoonheid en troost te delen. Maar de werkelijkheid dringt zich op. Ik kan mijn afkomst niet buiten de deur laten, ik kan de politieke context niet negeren. Het persoonlijke en het politieke zijn onafscheidelijk geworden. Het theater is politiek geworden.

Wat betekent dit voor ons als sector? Dat we onszelf niet langer mogen reduceren tot entertainers of leveranciers van culturele producten. We zijn geen luxeartikel voor vrije tijd. We zijn geen decoratie voor beleidsplannen. We zijn een noodzakelijke stem in het publieke gesprek.

Dat betekent dat we risico’s moeten nemen. Dat we voorstellingen moeten maken die niet onmiddellijk begrepen worden. Dat we het publiek niet alleen moeten bevestigen, maar ook moeten uitdagen. Dat we ruimte moeten maken voor twijfel, voor ongemak, voor vragen die geen antwoord hebben.

We moeten ophouden te denken dat ons doel applaus is, of een vijf sterren recensie, of een trending post. Ons doel is het vuur brandend houden. Het vuur dat licht geeft in het donker, dat warmte biedt in de kou, dat ons eraan herinnert dat we samen mens zijn.

Ik wens ons een theater dat niet bang is om te falen. Een theater dat niet wacht op toestemming, maar zijn eigen weg gaat. Een theater dat weigert zich te schikken naar het systeem, maar het openbreekt.

Ik wens ons een publiek dat blijft komen, juist omdat het niet alleen troost zoekt, maar ook vragen. Omdat het niet alleen vermaakt wil worden, maar geraakt. Omdat het niet alleen bevestiging wil, maar ook confrontatie.

En bovenal wens ik dat wij, makers, durven te dromen voorbij onszelf. Dat we verhalen vertellen die groter zijn dan onze eigen levens. Dat we perspectieven openen die verder reiken dan de grenzen van ons land, onze taal, onze cultuur.

Daarom sta ik hier. Omdat ik weiger me neer te leggen bij schaamte. Omdat ik weiger dat mijn kinderen wennen aan een wereld die hen reduceert tot tegenstelling. Omdat ik geloof dat theater de plek kan zijn waar we leren kijken naar de ander en tegelijk naar onszelf.

Niet om troost te verkopen. Niet om applaus te oogsten. Maar om ruimte te maken voor twijfel, voor hoop, voor verbeelding.

Dat is mijn droom. Dat is mijn hoop. En dat is ook mijn vraag aan u.
Dat we theater maken dat groter durft te zijn dan wijzelf.


S: Waar we samen toe oproepen is om naar de toekomst te kijken, om over die toekomst na te denken. Een toekomst waarin wij er misschien wel niet meer zijn, of een toekomst waarin we nieuwe horizonnen, nieuwe grond hebben gevonden en daarmee ook onszelf hebben geherdefinieerd. Altijd vanuit het idee dat we een reisgezelschap zijn, die over hobbelige wegen, door doodlopende sloten ploegt. Dat is niet de makkelijkste weg, maar als het ons lukt om als reisgezelschap op te trekken dan komen we er. 

A: Het heeft moed nodig. De moed om het anders te durven doen, om anders te durven zijn, om tegen de orde van de dingen zoals we hem kennen in te bewegen. En ik hoop dat we die allemaal hebben, allemaal voelen. We hebben in onze gesprekken deze zomer, vaak gezegd; het is aan ons. En dat geloof ik nog steeds. Het is aan ons. Aan jou, aan mij, aan ons hier allemaal.